Twee vrijwilligsters, Lut en Margriet

In Herent komen mensen op de vlucht terecht bij het LOI, dat gerund wordt door gedreven beroepskrachten van het OCMW. Maar er is nóg een pijler in dit verhaal: de ongeveer 30 mannen en vrouwen die meedraaien als vrijwilliger om de nieuwkomers wegwijs te maken in hun nieuwe, vreemde omgeving. Een gesprek met twee van hen: Margriet van Gilse en Lut Deschamps. Met als eerste vraag: hoe begint u aan zo'n avontuur?

Met pensioen, maar niet 'op rust'

Margriet: "Ik was pas met pensioen en wou toch nog iets zinvols doen. Het liefst vanuit mijn ervaring als zorgleerkracht: tussenpersoon zijn tussen school en gezin, helpen met taal… Via Mieke en Yvette van het LOI ben ik zo bij 'mijn' gezin terecht gekomen: pas aangekomen uit Eritrea met drie jonge kinderen." (De ouders, Negasi en Timnit, zijn hier ook al aan het woord gekomen.)

Hoe pak je dat aan? Deze mensen spraken geen enkele taal die wij kennen… "Dat wist ik toen nog niet, maar met Timnit klikte het wel meteen. Ik ben elke donderdag langs gegaan als de kinderen uit school kwamen, en dan ben ik begonnen spelletjes te spelen. Taalspelletjes, heel leuk, iedereen speelde mee: van de mama tot het kleutertje. Woordjes leren, en zinnetjes… en dan is het ijs direct gebroken. Dan duiken er brieven op die ze niet begrijpen, van de mutualiteit, of van de post, dan ging ik daar met hen naartoe, en zo was ik ineens eerder 'buddy' dan 'juffrouw'. Dat doe ik nu een jaar, en al van bij het begin was ik 'Mama Margriet'. Een blijk van vertrouwen, maar in hun cultuur zeker ook van eerbied voor mensen die ouder zijn dan jezelf."

Zo ontstaan vriendschappen

En bij Lut? "Dat is ongeveer hetzelfde verhaal als Margriet. Ik was altijd geïnteresseerd in vreemde culturen. Via Yvette ben ik in contact gekomen met een Angolees gezin hier in Herent. Elvira, de mama, had pas een baby'tje, ze kon dus niet meteen de deur uit om Nederlands te gaan leren. In het begin ging ik elke maandag met haar oefenen. Zij sprak alleen Portugees, haar man, Dicky, ook een beetje Frans. Eerst had hij nog geen werk, hij was er dus altijd bij en kon een beetje vertalen. Na verloop van tijd moesten zij een nieuwe woning zoeken, en daar heb ik dan ook mee geholpen. Elvira heeft intussen een opleiding als poetshulp gevolgd. Die opleiding is best zwaar, daar heb ik ook een handje toegestoken, al was het maar met al die vaktermen… De Nederlandse les is nu niet meer zo dringend, zij kan zich goed uit de slag trekken; zij werkt nu als poetshulp. Dicky spreekt al beter Nederlands en werkt bij het Spit in Wespelaar. Intussen zijn wij eerder vrienden geworden. Toen ze tien jaar getrouwd waren hebben ze ons te eten gevraagd, om het te vieren. Elvira heeft nog veel last van heimwee, maar Dicky houdt vol dat ze het verleden achter zich moeten laten, dat hun toekomst nu hier ligt. Maar het was ook niet steeds makkelijk. Alleen al in Herent zijn ze een paar keer moeten verhuizen, één keer omdat hun woning onbewoonbaar was verklaard… Weer alles oppakken, weer opnieuw beginnen… Je moet toch heel wat meegemaakt hebben vóór je zo'n stap zet, voor je in je eigen land alles achterlaat…" Margriet: "Als je aan Timnit vraagt of ze ooit terug zou willen naar Eritrea, dan zegt ze 'helemaal niet – alleen al het idee dat je hier gewoon kunt zeggen wat je wil, zonder dat er iemand staat te luisteren en je misschien gaat aangeven bij de politie, dat is toch zalig…' dan besef je maar hoe goed wij het hier hebben met wat wij allemaal vanzelfsprekend vinden."

Annemie Van Winckel en Wim Jansen